Openluchtmuseum.

Het is een prachtige, zonnige lentedag in februari.

We rijden vanuit de stille Noorderkempen de drukte van de stad tegemoet. De rit verloopt vlot. Er is geen file. We parkeren ergens in een rustige zijstraat en wandelen richting ziekenhuis. Eerst zijn we verbaasd over de ouderdom en de wat koloniale stijl van het gebouw. Verderop merken we een groter en moderner gebouw op. Daar moeten we zijn. Een draaideur tovert ons onder streng toezicht naar een steriele wereld.

 

Wie meegaat als begeleider moet zich eerst registeren. Rechts is een lange wachtrij. Links staan 2 heren het instromende volk wegwijs te maken. Links is er geen wachtrij. Eén van hen merkt op dat het vandaag een dag is waarop iedereen zijn gezelschap meebrengt. Een oude man krijgt van één van hen de wat ongeduldige opmerking dat hij eerst zijn handen moet ontsmetten voor hij zich mag aanmelden. De man luistert gedwee en loopt onverstoorbaar verder.

Eén van de mannen vraagt vriendelijk aan ons of mijnheer zonder begeleiding kan. En dat kan gelukkig. We besluiten even ieder onze eigen weg te gaan. Terwijl mijnheer de binnenkant van het grote moderne gebouw verkent, besluit ik om de omgeving buiten te exploreren.

Buiten opent een man net de deuren van het openluchtmuseum. Hij kijkt naar me alsof hij kan voorspellen dat ik één van de bezoekers zal zijn. Hij krijgt gelijk. Na een korte aarzeling, weet ik dat ik vandaag wat zal kunnen afvinken op mijn verlanglijstje.

 

Het eerste kunstwerk dat mijn pad kruist, lijkt net een grote, opgelapte, gepatchste aardappel. Spontaan denk ik aan mijn vriendin M. Mijn gedachten dwalen af naar de kunstwerken op de dijk van Oostende, waar die rijzige, oranje, reusachtige, verharde, plastic zakken staan. M. vindt er niks aan. Ze vraagt zich elke keer af of dit nu kunst is. M. houdt veel meer van muziek dan van beeldende kunst.

 

Ik wandel verder door het park. Het volgende kunstwerk, is een soort onafgewerkt doorkijkhuis. Het bestaat uit baksteen, cement, glas en lucht. Ik kom al wat meer in de artistieke sfeer en loop dieper het park in. De omgeving wordt grasgroen. Ik zie een pijl staan die richting kasteel wijst. Die negeer ik. Ik laat me leiden door mijn intuïtie en fotografeer de kunstwerken die me op de één of andere manier raken.

Eentje springt eruit. Ik hou wat langer halt en bezichtig de buitenkant. Vanuit mijn positie, zie ik 3 schermen die in elkaar passen. Tussen deze schermen staat elke keer een conifeer, struiken die wat uit de mode zijn geraakt. Aan de buitenkant zijn ze groen. De kant die tegen het scherm aanplakt, is bruin en dor, merk ik later.

Ik loop verder en word naar binnen gezogen. Het kunstwerk slorpt me op. Ik sta aan de binnenkant en zie mezelf weerspiegeld in het doorzichtig glas. Ik besluit om mezelf te fotograferen. Aan de andere kant van het scherm komen mensen voorbij. Die wil ik graag mee op de foto. Er borrelt een vreemd gevoel van verbondenheid bij me op.

 

Stiekem vraag ik me af of dit beeld voortaan het nieuwe normaal zal zijn. Er is meer dan 1,5 meter tussen het scherm en de niets vermoedende voorbijgangers aan de andere kant van het kunstwerk. De huidige norm is van plastic en plexiglas. Het beschermt ons tegen het uiterst besmettelijke virus. Voorlopig is er geen andere optie vertelt de media ons dagelijks. De Britse variant rukt op. Ik merk dat mensen nog angstiger worden. Er wordt amper iets gezegd over het versterken van je immuniteit en het aannemen van een gezonde levensstijl.

 

Ik wil zo graag terug naar het oude normaal. Wat verlang ik ernaar om ongedwongen, onbezorgd en onbegrensd mensen te kunnen ontmoeten, veel mensen. Wat verlang ik naar nabijheid en knuffels. Het liefst zou ik wil zingen en dansen in de modder.

 

Mijn lunch ’s middags haalt me uit mijn droom. In een benzinestation haal ik wat lekkers. Er vloeit een latte uit de automaat. Gezellig installeer ik me aan een hangtafeltje. Dat is speciaal gemonteerd bij de kassa om comfortabel wat te verbruiken. Vrijwel meteen krijg ik de opmerking van de uitbater: ‘Mag niet mevrouw, zolang de horeca niet open mag… . Fijn weekend nog’, voegt hij er wat verontschuldigend aan toe.

 

Wat ontgoocheld druip ik af en installeer me buiten op een bank in een klein park. Op de bank ligt een verlaten, zwart mondmasker met een glinsterende, grijze vlinder. Ik vraag me af wie er nog meer op dit houten bankje heeft gezeten. Welke dame zou dit mondmasker hebben gedragen?

 

Mijnheer belt me op en meldt me dat hij klaar is. Hij staat buiten op me te wachten. Ik laat hem weten dat ik eraan kom. Deze keer neem ik het risico om een andere, kortere weg in te slaan langs het desolate terrein van Basic Fit.

 

Onderweg zie ik het verdwaalde kleine broertje van het oranje kunstwerk in Oostende. Een grote banner op de campus wenst de weinige studenten die zich verderop in een lokaal bevinden, succes met hun examen. Ik heb geluk. Het groene, ijzeren poortje nabij het gebouw vanwaar het universitair personeel huist, is open. Samen lopen we naar de auto en verdwijnen we terug in onze eigen bubbel.

 

Om 17u zitten mijnheer en ik voor de buis. Om 17u15 is er extra nieuws. Er worden deze keer geleidelijk aan versoepelingen aangekondigd. Kappers, vakantie- en dierenparken mogen onder strikte voorwaarden terug openen vanaf 13 februari 2021. Deze keer net voor Valentijn en net op tijd voor de krokusvakantie. Niet medische contactberoepen krijgen het perspectief dat ze mogen herstarten op 1 maart 2021.

Gelukkig leven we in de 21ste eeuw en biedt de wereld achter het scherm ons tal van mogelijkheden. We kunnen videobellen, zoomen en online webinars volgen. Als we uit ons kot komen, belanden we vanzelf in andere plastic hokjes in de supermarkten.

Toch merk ik aan de mensen achter het glas dat er steeds meer behoefte komt aan echt contact. Nog even volhouden. We kunnen dit. Vermoedelijk zal er nog meer plexiglas opduiken in de nabije toekomst. Ik zag al beelden van nieuwe plastic hokjes bij de kapper.

Ik denk aan wat mijn dochter schreef tijdens de eerste lockdown in haar logboekje voor school: ‘Ach was ik maar een dier, dan had ik geen last van de huidige maatregelen.’

De lente kondigt zich aan. Ook in het openluchtmuseum schieten groene stengels voorjaarsbloemen uit de vruchtbare grond.

De schermen gaan ons de volgende maanden nog meer beschermen. Wie weet worden het in de toekomst wel kunstwerken. Ik verbeeld me dat ze al zichtbaar zijn in het openluchtmuseum. Stiekem hoop ik dat ze de voedingsbodem worden voor kleurrijke, speelse taferelen uit de rijke fantasie van kinderen die zich hierop naar hartenlust mogen uitleven.

Spontaan bedenk ik wat er op het bijhorende metalen plaatje zal worden gegraveerd : ‘Groeten uit 2020-2021.’